Prinsjesdag 2026  •  fiscale plannen voor 2027

Belastingplan 2027: wat betekenen de plannen voor ondernemers, BV’s, DGA’s en vermogen?

Het kabinet heeft op 15 september 2026 het volledige pakket Belastingplan 2027 gepubliceerd. Voor ondernemers is het beeld gemengd: de vennootschapsbelasting en de box 2-tarieven blijven in de gepubliceerde 2027-parameters stabiel, terwijl er gerichte wijzigingen zijn voor innovatie, startende IB-ondernemers, werkgevers, vastgoed en de financiering vanuit de eigen BV. Voor box 3 blijft vooral de onzekerheid over het toekomstige stelsel een belangrijk aandachtspunt.


Status van plannen?

Het Belastingplan 2027 en de bijbehorende fiscale wetsvoorstellen zijn op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer aangeboden. Het gaat dus om wetsvoorstellen. Tweede en Eerste Kamer kunnen de inhoud nog wijzigen. De meeste maatregelen zijn beoogd per 1 januari 2027, tenzij hieronder anders vermeld.

1. BV’s: vennootschapsbelasting blijft qua tarieven stabiel

Voor BV’s is het belangrijkste uitgangspunt dat de 2027-sleuteltabel uitgaat van een vennootschapsbelastingtarief van 19% over de eerste € 200.000 belastbare winst en 25,8% over het meerdere. Ook het tarief van de innovatiebox staat op 9%. Het gepubliceerde pakket bevat daarmee geen algemene verhoging van de Vpb-tarieven.


Dat betekent niet dat er voor BV’s niets verandert. Het pakket bevat diverse technische en gerichte maatregelen. Vooral voor innovatieve MKB-bedrijven springt de verruiming van de forfaitaire regeling binnen de innovatiebox eruit.


Innovatiebox: forfaitair maximum van € 25.000 naar € 100.000

De forfaitaire innovatieboxregeling is bedoeld om de innovatiebox toegankelijker te maken voor ondernemingen waarvoor het administratief relatief zwaar is om de voordelen per immaterieel activum nauwkeurig toe te rekenen. Onder de huidige forfaitaire regeling wordt 25% van de winst aangemerkt als innovatieboxwinst, met een maximum van € 25.000. Het kabinet stelt voor dit maximum per 1 januari 2027 te verhogen naar € 100.000.


Voor innovatieve MKB-bedrijven kan dit de verhouding tussen fiscaal voordeel en administratieve lasten verbeteren. De overige voorwaarden van de innovatiebox blijven relevant; de verhoging van het plafond betekent dus niet dat iedere innovatieve BV automatisch over € 100.000 tegen 9% wordt belast.


Deelnemingsvrijstelling en herstructureringen

Daarnaast bevat het pakket technische wijzigingen rond valutaresultaten en de deelnemingsvrijstelling. Voor internationaal actieve groepen kunnen deze relevant zijn bij het afdekken van valutarisico’s op deelnemingen. In de regeling voor bedrijfsfusies en splitsingen wordt het zogenoemde onzakelijkheidsvermoeden geschrapt naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad. Daardoor verschuift in bepaalde herstructureringssituaties de bewijslast terug naar de inspecteur.


2. DGA en box 2: tarieven gelijk, wel gerichte reparaties

Voor DGA’s vermeldt de fiscale sleuteltabel voor 2027 een box 2-tarief van 24,5% tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 69.607 en 31% over het meerdere. De tarieven zelf wijzigen daarmee niet ten opzichte van de huidige tweeschijvenstructuur. De schijfgrens valt wel onder de beperkte inflatiecorrectie die het kabinet voor 2027 voorstelt.


Voor de planning rond dividend blijft daarom vooral de combinatie van vennootschapsbelasting en box 2 relevant. Of het aantrekkelijk is om winst in de BV te laten, dividend uit te keren of privé te beleggen, hangt niet alleen van de tarieven af, maar ook van rendement, liquiditeitsbehoefte, beleggingshorizon en de box 3-positie. Een generieke keuze is daardoor niet mogelijk.


Excessief lenen bij de eigen BV: geen nieuwe algemene grens, wel een erfrechtelijke aanpassing

De regeling excessief lenen blijft een belangrijk aandachtspunt. In de toelichting wordt voor 2026 uitgegaan van een maximumbedrag van € 500.000. Het nieuwe voorstel wijzigt niet in algemene zin die grens, maar repareert een specifieke samenloop met de faciliteit voor een vererfd aanmerkelijk belang.


Vanaf 1 januari 2027 moet volgens het voorstel een fictief regulier voordeel wegens excessief lenen buiten die erfgenamenfaciliteit blijven. De maatregel is vooral relevant als bij een nalatenschap zowel een aanmerkelijk belang in een BV als een schuld aan die BV overgaat op erfgenamen. Voor de meeste DGA’s is dit dus geen nieuwe jaarlijkse heffing, maar voor estate planning kan het wel degelijk van belang zijn.


Zetelverplaatsing naar Nederland

Bij een vennootschap waarvan de werkelijke leiding naar Nederland wordt verplaatst, wil het kabinet de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in beginsel stellen op de waarde in het economische verkeer op dat moment. Daarmee wordt beoogd alleen waardeveranderingen na het ontstaan van de Nederlandse belastingplicht in box 2 te betrekken. Dit is een specialistische maatregel, met name relevant bij internationale structuren en migraties.


3. Box 3 en vermogen: 2027 blijft een tussenjaar

Voor vermogende ondernemers en DGA’s is box 3 vaak minstens zo belangrijk als box 2. Juridisch is box 3 een belasting over inkomen uit sparen en beleggen, hoewel in het dagelijks taalgebruik vaak over “vermogensbelasting” wordt gesproken. Voor 2027 vermeldt de fiscale sleuteltabel een box 3-tarief van 36% en een heffingsvrij vermogen van € 60.098 per belastingplichtige. De beperkte inflatiecorrectie in het Belastingplan werkt ook door naar het heffingsvrije vermogen. Het tarief zelf blijft 36%.


Tegenbewijs blijft relevant

Totdat een nieuw box 3-stelsel ingaat, blijft de huidige systematiek met forfaitaire rendementen van belang. Op grond van de tegenbewijsregeling kan een belastingplichtige het werkelijk rendement doorgeven wanneer dit lager is dan het forfaitaire rendement. De Belastingdienst gebruikt dan het voor de belastingplichtige gunstigste bedrag. Voor beleggers en vastgoedbezitters betekent dit dat een goede administratie van inkomsten, waardemutaties en relevante schuldrente belangrijk blijft.


Nieuw box 3-stelsel per 2028 nog niet definitief

Het kabinet mikt nog steeds op een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 1 januari 2028. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in februari 2026 aangenomen, maar de Eerste Kamer heeft de eindstemming op 30 juni 2026 aangehouden in afwachting van een door het kabinet aangekondigde novelle. In het op 15 september gepubliceerde Belastingplanpakket staat die novelle niet als afzonderlijk wetsvoorstel vermeld.


Voor ondernemers met substantieel privévermogen is de praktische conclusie daarom dat 2028 nog geen volledig vaststaand eindbeeld biedt. Grote vermogensverschuivingen tussen privé en BV uitsluitend op basis van een verondersteld toekomstig box 3-stelsel verdienen terughoudendheid totdat de parlementaire behandeling verder is.

4. IB-ondernemers: zelfstandigenaftrek en startersaftrek verder omlaag

Voor ondernemers in de inkomstenbelasting zijn de wijzigingen directer. De zelfstandigenaftrek daalt volgens de parametertabel van € 1.200 in 2026 naar € 900 in 2027. De MKB-winstvrijstelling blijft 12,7%. De startersaftrek wordt veel sterker beperkt. Het kabinet stelt voor het bedrag per 1 januari 2027 te verlagen van € 2.123 naar € 10 en de startersaftrek per 1 januari 2028 volledig af te schaffen. Er is geen overgangsrecht voor ondernemers die al vóór 2027 zijn gestart. De willekeurige afschrijving voor starters moet eveneens verdwijnen per 2028, terwijl de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid volgens het voorstel per 2029 vervalt.

Energie-investeringsaftrek stijgt naar 45,5%

Daar staat een verruiming van de Energie-investeringsaftrek (EIA) tegenover. Het aftrekpercentage voor kwalificerende energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie-investeringen stijgt volgens het voorstel per 1 januari 2027 van 40% naar 45,5%. Voor ondernemingen die toch al investeringen in verduurzaming plannen, kan de timing daardoor fiscaal relevant zijn. De gebruikelijke voorwaarden, waaronder opname op de Energielijst, blijven uiteraard bepalend.

5. Start-ups en scale-ups: nieuwe regeling voor aandelenopties

Een afzonderlijk wetsvoorstel introduceert een gunstiger fiscale behandeling van aandelenopties voor werknemers van kwalificerende start-ups en scale-ups. De kern is dat slechts 65% van het relevante voordeel in de loonheffing wordt betrokken. Bij het hoogste box 1-tarief van 49,5% komt dat neer op een effectieve heffing van ongeveer 32,17% over het volledige voordeel, mits aan alle voorwaarden is voldaan.


Daarnaast wordt het heffingsmoment in beginsel gekoppeld aan de verkoop van de verkregen aandelen, zodat belastingheffing beter kan aansluiten bij het moment waarop liquiditeit beschikbaar komt. Het wetsvoorstel kent kwalificatievoorwaarden en staatssteunregels. De Belastingdienst acht invoering technisch uitvoerbaar per 1 januari 2027, maar de formele inwerkingtreding is in het wetsvoorstel gekoppeld aan een bij koninklijk besluit te bepalen moment. Voor opties die op of na 17 april 2025 zijn toegekend en eind 2026 nog niet in de loonheffing zijn betrokken, is overgangsrecht voorzien.


Ter financiering van deze regeling worden de meewerkaftrek en de stakingsaftrek eerst met 75% versoberd en drie jaar later afgeschaft. Ook die timing volgt de formele inwerkingtreding van de nieuwe aandelenoptieregeling.


6. Werkgevers: hogere Aof-last, personeelskorting en reiskosten

Voor werkgevers is een belangrijke budgettaire maatregel de voorgenomen verhoging van de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Het kabinet koppelt hier voor bedrijven een opbrengst van € 1,5 miljard in 2027 aan, oplopend tot € 1,7 miljard structureel vanaf 2028. Het exacte premiepercentage staat niet in het Belastingplan; dat wordt afzonderlijk vastgesteld in de jaarlijkse regeling met premiepercentages.


Verder wordt voorgesteld de gerichte vrijstelling voor korting op branche-eigen producten af te schaffen. Nu kan onder voorwaarden maximaal 20% korting, tot € 500 per werknemer per jaar, gericht vrijgesteld zijn. Na afschaffing kan een werkgever de korting - voor zover aan de voorwaarden is voldaan - eventueel in de vrije ruimte van de werkkostenregeling onderbrengen of als belast loon behandelen. De onbelaste kilometervergoeding wordt wettelijk verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Voor 2027 is € 0,25 daarmee het relevante uitgangspunt als het voorstel wordt aangenomen.

7. Auto van de zaak: youngtimerregeling wordt geleidelijker aangepast

De eerder vastgelegde sprong van de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling naar 25 jaar in 2027 wordt verzacht. Het kabinet stelt nu voor de grens in 2027 op 17 jaar te zetten en vanaf 2028 structureel op 20 jaar. Voor het aanvullende overgangsrecht in 2027 geldt onder meer dat de auto uiterlijk op 31 december 2025 al ter beschikking stond aan de betreffende ondernemer of werknemer. Vanaf 2028 geldt de 20-jaarsgrens voor iedere auto.


Deze maatregel kan vooral relevant zijn voor DGA’s, werknemers en IB-ondernemers die bewust met een oudere auto van de zaak rijden. Wie in 2027 een auto wil aanschaffen of ter beschikking stellen, moet niet zonder meer aannemen dat het overgangsrecht van toepassing is.

8. Vastgoed: overdrachtsbelasting voor niet-eigen woningen naar 7%

Voor woningen die de verkrijger niet als hoofdverblijf gaat gebruiken - bijvoorbeeld een tweede woning of verhuurde woning - wordt voorgesteld het algemene woningtarief in de overdrachtsbelasting per 1 januari 2027 te verlagen van 8% naar 7%. Het algemene tarief voor niet-woningen blijft volgens de 2027-sleuteltabel 10,4%. Voor vastgoedbeleggers en BV’s met woninginvesteringen kan dit de transactiekosten bij een aankoop in 2027 verlagen. De box 3- of Vpb-behandeling van het rendement staat daar los van en moet afzonderlijk worden beoordeeld.

9. Wat moeten ondernemers nu doen?

  • Actualiseer de fiscale begroting voor 2027 met de voorgestelde Vpb-, box 2- en box 3-parameters, maar houd rekening met mogelijke parlementaire wijzigingen.
  • DGA’s met privébeleggingen of grote liquiditeitsposities: vergelijk opnieuw privé aanhouden, dividend uitkeren en vermogen in de BV laten, maar baseer geen onomkeerbare stap uitsluitend op aannames over box 3 vanaf 2028.
  • Controleer leningen van de DGA en familieleden bij de eigen BV, zeker wanneer een nalatenschap of bedrijfsopvolging speelt.
  • Innovatieve MKB-BV’s: beoordeel of de verruimde forfaitaire innovatiebox vanaf 2027 praktisch bruikbaar kan worden.
  • Start-ups en scale-ups met employee equity: volg de kwalificatie-eisen en formele inwerkingtreding van de nieuwe aandelenoptieregeling nauwgezet.
  • Werkgevers: reserveer ruimte voor een hogere Aof-premie en inventariseer personeelskortingen die nu onder de gerichte vrijstelling vallen.
  • IB-ondernemers: verwerk de lagere zelfstandigenaftrek en vrijwel verdwijnende startersaftrek in voorlopige belasting- en liquiditeitsprognoses.
  • Vastgoedkopers: verwerk het voorgestelde tarief van 7% in 2027-transactiemodellen, maar leg contractuele timing pas vast na beoordeling van de definitieve wet.

Conclusie

Voor BV’s en DGA’s brengt het Belastingplan 2027 geen brede verhoging van de Vpb- of box 2-tarieven, maar wel een reeks maatregelen die in specifieke situaties materieel kunnen zijn. Voor IB-ondernemers zijn de versoberingen van ondernemersaftrekken nadrukkelijker. Tegelijk worden energie-investeringen en - onder voorwaarden - werknemersparticipaties bij start-ups en scale-ups fiscaal gestimuleerd.


Voor vermogende ondernemers blijft box 3 het dossier met de meeste onzekerheid. De 2027-parameters zijn bekend, maar het beoogde stelsel vanaf 2028 is parlementair nog niet afgerond. Voor fiscale planning is daarom een onderscheid nodig tussen wat voor 2027 concreet is voorgesteld en wat voor 2028 nog in beweging is.